Ziekenhuis woordenboek

A

  • Adenotomie - het weghalen van de neusamandelen 
  • Appendectomie - het weghalen van de blindedarm

B

  • Bloeddruk - iedere keer dat je hart slaat, wordt bloed van je hart naar de rest van je lichaam gepompt, via de bloedvaten. De druk van het bloed op je aders noemen we bloeddruk
  • Bloedsuiker - in je bloed zit suiker. Dat zorgt ervoor dat je lichaam energie krijgt
  • Bloedtransfusie - je krijgt bloed van iemand anders om beter te worden
  • Box - een eenpersoonskamer. Hier kun je bijvoorbeeld liggen als je een virus bij je hebt en je niemand mag besmetten
  • Broeder - dat is de naam voor een mannelijke verpleegkundige

C

  • Catheter - dat is een zacht rietje( buisje) die via je plasser naar je blaas gaat. Je hoeft dan niet naar de wc om te plassen, maar je plas loopt via het buisje in een zak
  • Circumcisie - een operatie waar de dokter het stukje huid vooraan je plasser weghaalt. Je kunt dan gemakkelijker plassen en hebt geen last meer van een rode ontstoken plasser
  • Couveuse - een glazen wiegje voor een pasgeboren baby. Daarin is het lekker warm en kunnen de verpleegkundigen de baby’s goed in de gaten houden

E

  • Echo - met een beetje gel en een camera kan een dokter bijvoorbeeld in je buik kijken
  • ECG - een Electro Cardio Gram. Dat is een hartfilmpje. Je krijgt plakkers op je lichaam en daarmee kan gemeten worden hoe goed je hart het doet
  • EEG - een Electro Encefalo Gram. Dat is een hersenfilmpje. Je krijgt een soort mutsje op en daarmee kan de werking van je hersenen gemeten worden ( hoe goed je hersenen het doen)

F

  • Faeces - dat is een moeilijk woord voor poep
  • Fototherapie - soms worden pasgeboren baby’s een beetje geel. Ze komen dan onder een blauwe lamp te liggen. Dat noemen we fototherapie. Dan komt het weer helemaal goed
  • Fowler - een moeilijk woord voor trommelvliesbuisjes

G

  • Gastro-enteritis - dat is een ontsteking aan de darm en maagwand. Je gaat dan spugen en krijgt diarree
  • Gewicht - we meten hoe zwaar je bent als je op de weegschaal gaat staan. Dat is je gewicht

I

  • Infuus - een apparaat waarmee vloeistof rechtstreeks in de ader (waar je bloed door stroomt) komt. (stroomt.) Je hebt een slangetje in een ader vaak in je arm 
  • Insuline - dat is een medicijn om je bloedsuiker te verlagen als je suikerziekte hebt
  • Isolatie - je bent in isolatie als je niet van je kamer af mag, omdat je anderen kunt aansteken als je een virus hebt. Het kan ook zijn dat je in isolatie bent, omdat je beschermd moet worden tegen virussen van anderen

L

  • Laboranten - deze mensen nemen een beetje bloed uit je lichaam om te onderzoeken. Dit doen ze in het laboratorium
  • Liesbreuk - een zwakke plek (bobbel)(uitstulping) in de lies of buikwand

M

  • Monitor - dat is een computerscherm. Als jij plakkers op je lichaam hebt kan de dokter hierop jouw hart werking (actie), je ademhaling of de hoeveelheid zuurstof in je bloed zien

N

  • Navelbreuk - dat is een zwakke plek (bobbel uitstulping) in de buikwand bij je navel

O

  • Orchidopexie - het vastmaken van de ballen in je balzak
  • Ouderparticipatie - zo noemen we het dat pappa en mama jou in het ziekenhuis zoveel mogelijk zelf verzorgen. Dat is wel zo fijn

P

  • Pieper - het ‘mobieltje’ dat de verpleegkundigen bij zich dragen. Als jij in het ziekenhuisbed ligt, kun je op de rode knop drukken bij je bed. De verpleegkundige ziet dan dat jij gebeld hebt. Ze krijgt dit op haar scherm te zien en dan naar je toekomen
  • Po - een pot waar je op kunt poepen en plassen. Deze gebruiken we als je niet uit bed mag of wanneer ze je poep of plas willen onderzoeken

R

  • Röntgenfoto - dat is een foto van de binnenkant van je lichaam
  • Rooming-in - pappa of mama mogen naast jou blijven slapen in het ziekenhuis, zodat je niet alleen bent ’s nachts. Dat noemen we Rooming-in
  • RS Virus - respiratoir synctitieel virus. Dat is een virus die lijkt op griep
     

S

  • Saturatie - dat is de hoeveelheid zuurstof in je bloed. Alle organen in je lichaam hebben zuurstof nodig. Die zuurstof adem je in je longen en gaat via het bloed naar de verschillende organen
  • Sonde - dat is een slangetjes die via je neus naar je maag gaat. Hierdoor kun je voeding of medicijnen krijgen

T

  • Temperatuur meten - met een thermometer meten we hoe warm je bent
  • Tonsillectomie - het weghalen van je keelamandelen

U

  • Urine - je plas die je normaal gesproken op de WC doet